25-1-2018 12:43

A-G concludeert: vrijwilligers- en plaatsmakersregeling in Sociaal Plan is geen regeling voor vervroegde uittreding (RVU)

Bij een werkgever in het Zuiden van het land moesten bij een reorganisatie 230 arbeidsplaatsen verdwijnen. Hierover werd met de vakbonden een Sociaal Plan overeengekomen, waarin geregeld werd dat de boventallige werknemers bij onderling uitwisselbare functies worden aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel.

Vrijwillig plaatsmaken
In het Sociaal Plan was ook een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling opgenomen. Bij deze regeling mag een werknemer die niet ontslagen zou worden, plaatsmaken voor een werknemer van wie de arbeidsplaats komt te vervallen. De ‘plaatsmaker’ krijgt dan een beëindigingsvergoeding toegekend, gebaseerd op de kantonrechtersformule.

De werkgever verzoekt de Belastingdienst om een verklaring af te geven dat er hier geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) in de zin van artikel 32ba, lid 6, Wet LB. De inspecteur van de Belastingdienst weigert deze beschikking af te geven, omdat hij meent dat er wel sprake is van een RVU. De werkgever besluit het geschil aan de rechter voor te leggen.

Rechtbank
Rechtbank Zeeland – West Brabant is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de werkgever de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers bij de reorganisatie te laten afvloeien en stelt de inspecteur in het ongelijk, omdat deze niet aannemelijk heeft gemaakt dat hier sprake is van een RVU.

Beroep
De inspecteur gaat hiertegen in beroep, waarna het Hof Den Bosch in november 2016 oordeelt dat geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend aan (de bekendheid met) de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoeding. Volgens het hof gaat het er bij de vraag of er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding, om dat de uitkeringen bij afvloeiing bedoeld zijn voor de overbrugging van het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum. Het hof oordeelt dat in het onderhavige geval de uitkeringen geen verband houden met de (pensioengerechtigde) leeftijd van de werknemer en dat de destijds geldende kantonrechtersformule in overeenstemming is met de arbeidsrechtelijk aanvaarde beginselen voor het bepalen van een vertrekvergoeding als overbrugging naar een volgende betrekking. Het feit dat het Sociaal Plan als gevolg van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling (mogelijk) niet voldoet aan het afspiegelingsbeginsel doet hier volgens het hof niet aan af. Het hoger beroep van de inspecteur wordt dan ook ongegrond verklaard.

Cassatie
Tegen dit oordeel komt de staatssecretaris in cassatie, waarbij deze aanvoert dat de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling een afvloeiingsregeling is waarbij werknemers vrijwillig ontslag kunnen nemen. Hierdoor is volgens de staatssecretaris een subjectief criterium toegevoegd aan de objectieve criteria voor het afvloeien van personeel (het afspiegelingsbeginsel). Ook betoogt de staatssecretaris dat het geen doorslaggevende betekenis toekennen aan de bekendheid met de feitelijke uitstroom en de overeengekomen beëindigingsvergoedingen, geen recht doet aan het doel van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling.

Conclusie A-G
De Advocaat-Generaal is van mening dat de inspecteur bij het beoordelen van het Sociaal Plan dit kan opdelen in enerzijds een onderdeel met als doel te voorzien in een uitkering ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW, en onderdelen die een ander doel hebben. De verstrekte uitkeringen – zowel uit het Sociaal Plan als op grond van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling – hebben niet het doel om als inkomensoverbrugging te dienen tot de pensioendatum. De A-G wijst erop dat bij de kantonrechtersformule rekening gehouden wordt met twee algemeen aanvaarde arbeidsrechtelijke beginselen. Zo neemt de zorgplicht van de werkgever toe naarmate de werknemer meer dienstjaren heeft. Daartegenover staat dat oudere werknemers over het algemeen een slechtere positie hebben op de arbeidsmarkt.

De Advocaat-Generaal concludeert, dat ook wanneer naar de feitelijke uitwerking van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling wordt gekeken, deze in dit geval niet gericht is op het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voorzien in uitkeringen voor het overbruggen van de periode tot het ingaan van het pensioen of AOW. Waarmee het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

 Terug