14-3-2018 13:00

VARO geeft commentaar op Wetsvoorstel normalisering rechtspositie ambtenaren in het onderwijs

Het wetsvoorstel dat nodig is om de Wet normalisering rechtpositie ambtenaren (WNRA) in te voeren voor de onderwijssectoren, is op 30 januari in internetconsultatie gebracht. Op 12 maart jl. stuurde de VARO haar reactie in. De VARO reageert op drie punten: 1) het plan om onderwijs uit te zonderen van het begrip overheidswerkgever, 2) de bepaling in het wetsvoorstel dat het bevoegd gezag de rechtspositie van het personeel regelt en 3) de term ‘akte van benoeming’.

Met het wetsvoorstel wordt het private arbeidsrecht uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing op het personeel dat werkzaam is in openbare scholen en onderwijsinstellingen waardoor het ambtenarenrecht, dat nu nog geldt voor deze scholen en instellingen, straks niet meer van toepassing is. Onderwijspersoneel dat in dienst is bij een openbare school of onderwijsinstelling vallen vanaf dat moment onder het private arbeidsrecht zoals dat ook in het bijzonder onderwijs geldt. Als gevolg zijn (ook) voor het onderwijspersoneel in het openbaar onderwijs de volgende regelingen direct van toepassing: 
- de tweezijdige arbeidsovereenkomst;
- het private ontslagstelsel;
- de ketenregeling voor tijdelijke dienstverbanden, en 
- de beroepsgang via de kantonrechter. 

De reactie van de VARO:

Overheidswerkgever
De meest principiële keuze in het concept wetsvoorstel is om alle onderwijs uit te zonderen van het begrip overheidswerkgever. Daarmee wordt voorkomen dat een deel van het personeel in het openbaar onderwijs toch nog onder de Ambtenarenwet 2017 zou gaan vallen. Dit wordt gemotiveerd met de stelling (1) dat zo’n nieuw onderscheid onwenselijk is. Bovendien – zo stelt de Memorie van toelichting verder – (2) zijn de bepalingen uit de Ambtenarenwet 2017 vooral geschreven voor het werken in het openbaar bestuur, en minder passend bij de praktijk van het onderwijs. Het eerste is zonder meer waar. Het tweede lijkt de VARO een stuk minder plausibel. De Ambtenarenwet 2017 geldt immers voor iedereen die een arbeidsovereenkomst heeft met “de overheid”. Daar zitten ongetwijfeld meer werknemers bij dan alleen onderwijswerknemers voor wie de bepalingen van de (oude) Ambtenarenwet minder passend zijn. Juist daarom echter maakt de nieuwe Ambtenarenwet al een onderscheid tussen de overheidswerknemers van artikel 3 AW 2017 en de overige overheidswerknemers. In feite wordt nu een derde categorie gecreëerd, te weten die van de onderwijswerknemer. 

De VARO wil hiermee niet zeggen dat het eerste argument – te weten het onwenselijke onderscheid – niet toch aanleiding zouden kunnen zijn tot deze stap. Maar hiermee wordt de onderwijswerknemer in overheidsdienst wel een werknemer met een versterkte status aparte. Dat de werknemer in het openbaar onderwijs op zo grote afstand van de overheid wordt geplaatst, lijkt zich niet goed te verdragen met de “overheersende invloed” van de overheid op het bestuur van het openbaar onderwijs in het samenwerkingsbestuur (artikel 17 Wet primair onderwijs, artikel 28 Wet op de expertisecentra en artikel 53c Wet voortgezet onderwijs), de openbare rechtspersoon (artikel 47 WPO, artikel 50 WEC en artikel 42a WVO), de stichting (artikel 48 WPO, artikel 51 WEC en artikel 42b WVO) en de samenwerkingsschool (artikel 17d WPO, artikel 28j WEC en artikel 53d WVO).

Rechtspositieregeling personeel
Nu artikel 33 WPO, 33 WEC en 28a WVO toch grotendeels komen te vervallen is het de vraag waarom nog behoefte zou bestaan aan de resterende bepaling dat het bevoegd gezag de rechtspositie regelt. Dat doet het bevoegd gezag toch al wel omdat nu eenmaal sprake is van een arbeidsovereenkomst. In zekere zin geldt dit ook voor artikel 38 WPO en artikel 38 WEC. Als deze bepalingen worden gehandhaafd, is het in de overtuiging van de VARO echter aan te bevelen om dan ook de laatste volzin van deze artikelen (die geschillenprocedure voor het georganiseerd overleg voorschrijven) te handhaven. Een dergelijke regeling is in het verleden regelmatig effectief gebleken. Indien dit voorstel wordt overgenomen, zou ook gedacht kunnen worden aan de toevoeging van dezelfde bepaling aan de artikelen 40a WVO en 4.1.2 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs.

Akte van benoeming
De voorgestelde artikelen 34a WPO, 34a WEC en 39a1 WVO zijn een herhaling van de huidige artikelen 59 WPO, 62 WEC en 51 WVO. Wat de VARO betreft bestaat er – zeker in de context van de Ambtenarenwet2017 – geen enkele behoefte meer aan het handhaven van de term “akte van benoeming” in de WPO, de WEC en de WVO. De term suggereert een ambtenaarrechtelijke verhouding die er niet (meer) is. In het bijzonder onderwijs leidt dit al jaren tot verwarring over de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of toch van een ambtelijke aanstelling. De term “arbeidsovereenkomst” dekt de lading beter.

De inhoud van het artikel kan daarnaast ook gemist worden omdat de hele beschreven problematiek op dit moment al in de respectievelijke onderewijs-cao’s wordt geregeld. Zonder meer onjuist komt het ons voor, om in de akte (derhalve de individuele arbeidsovereenkomst) op te willen nemen “bepalingen inzake gronden voor de schorsing en disciplinaire maatregelen”. Een en ander is al sinds jaar en dag in de verschillende onderwijs-cao’s geregeld. Er is geen enkele reden dergelijke voorschriften nu te transporteren naar de individuele akten van benoeming/arbeidsovereenkomst.

Advies VARO internetconsultatie WNRA onderwijs d.d. 12 maart 2018

 Terug