23-4-2019 10:00

HR: kwade trouw ex art. 6:205 BW moet worden bepaald aan de hand van subjectieve kennis van de ontvanger

Op 5 april 2019 heeft de Hoge Raad verduidelijkt wanneer er sprake is van een ontvanger te kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW. De ontvanger moet weten of vermoeden dat de betaling niet verschuldigd was. Hierbij is doorslaggevend de subjectieve kennis van de ontvanger ten tijde van de ontvangst van de betaling. Voor kwade trouw is dus onvoldoende dat de ontvanger (objectief) behoorde te weten dat de betaling niet verschuldigd was. Ook onvoldoende is dat de ontvanger (subjectief) twijfelt over de verschuldigdheid van de betaling.

Op grond van art. 6:205 BW is de ontvanger die een goed (in dit geval: de betaling) te kwader trouw heeft aangenomen, zonder ingebrekestelling in verzuim. Dat heeft tot gevolg dat de ontvanger vanaf de dag van ontvangst van elk bedrag wettelijke rente verschuldigd is over dat bedrag op grond van art. 6:119 BW.

Deze uitspraak is (ook) van belang voor het arbeidsrecht in geval van onjuiste (lees: te hoge) salarisbetalingen.

 Terug